Bureau Marja de Bruijn

Ga naar Bureau Marja de Bruijn

 


 
 

Pensioen voor vrouwen

Bureau Marja de Bruijn BV
Postbus 86
2050 AB  Overveen

023-5250096



De pensioentest


 Doe de test:

1.

Ik heb een deeltijdbaan (gehad)

ja/nee

2.

Ik heb een variabel salaris

ja/nee

3.

Ik ben een paar keer van baan veranderd

ja/nee

4.

Ik heb in het buitenland gewerkt

ja/nee

5.

Ik heb werk in een bedrijfstak zonder pensioenregeling

ja/nee

6.

Mijn pensioenregeling is geen eindloonregeling

ja/nee

7.

Mijn pensioen wordt niet ge´ndexeerd

ja/nee

8.

Ik ben na mijn 30e pensioen gaan opbouwen

ja/nee

9.

Ik ben freelancer/ondernemer

ja/nee

10.

Ik wil eerder stoppen met werken

ja/nee

11.

Ik ben een vrouw

ja/nee

12.

Mijn partner en ik zijn tweeverdieners

ja/nee

13.

Mijn partner is jonger dan ik

ja/nee

14.

Ik ben gescheiden

ja/nee



Als je een of meer vragen met ja hebt beantwoord, zit het ideale pensioen er voor jou waarschijnlijk niet in. Waarom dat zo is, lees je onder de nummers van de vragen die je met ‘ja’ beantwoordde.

 

1. Deeltijders konden bij sommige pensioenfondsen lange tijd geen pensioen opbouwen. Tegenwoordig is deze uitsluiting verboden. Een ander probleem is de franchise. ( Bij de opbouw van het aanvullend pensioen wordt altijd rekening gehouden met de AOW. Over het eerste deel van je inkomen bouw je geen pensioen op, omdat dat deel al ‘gedekt’ wordt door de AOW. Dit gedeelte wordt franchise genoemd.) Als je deeltijdinkomen onderde franchise lag, zat pensioenopbouw er ook niet in. Sinds 1994 zijn fondsen verplicht ‘pro-ratafranchises’ te hanteren: Bij een halve baan wordt de franchise gehalveerd. Maar veel (voormalige) deeltijders hebben bij de opbouw van hun pensioen nog steeds te maken met de gevolgen van uitsluiting of van het hanteren van de volledige franchise. Soms is reparatie mogelijk. Het pensioenfonds kan hier informatie over geven.

2. Sommige werknemers, bijvoorbeeld in commerciŰle beroepen, hebben een basissalaris waarover ze pensioen opbouwen. In werkelijkheid ontvangen ze vaak veel meer geld doordat het basissalaris wordt aangevuld met toeslagen en bonussen. Over dit variabele deel van het loon wordt doorgaans geen pensioen opgebouwd. Hierdoor kan het verschil tussen het maandelijks inkomen en het uiteindelijke pensioeninkomen enorm oplopen.

3. Als je een paar keer van baan bent veranderd, loop je kans dat je pensioen verspreid over verschillende fondsen wordt opgebouwd. Zoiets heet een pensioenbreuk. Het is de laatste jaren steeds makkelijker geworden om pensioenen mee te nemen van de ene werkgever naar de andere. Of zo’n pensioenoverdracht wenselijk is, verschilt van geval tot geval. Er zijn duizenden pensioenregelingen en de ene is beter dan de andere. Een pensioenbreuk kan leiden tot een pensioentekort, maar dat hoeft niet. Als je exact wilt weten wat de consequenties van een eventuele overdracht zijn, kun je je laten informeren door je oude en je nieuwe pensioenfonds.

4. Als je door een Nederlandse werkgever een tijdje gedetacheerd bent (geweest) in het buitenland, heeft dat doorgaans geen consequenties voor je pensioen. Waarschijnlijk zijn er in die periode premies afgedragen . Het ligt anders wanneer je op eigen houtje naar het buitenland vertrokken bent om er te wonen en werken. Of dat buitenland in Europa ligt of verder van huis, maakt niet uit. Als je bijvoorbeeld bij een Duits bedrijf gaat werken en je emigreert binnen 10 jaar weer terug naar Nederland, ben je je complete Duitse pensioenopbouw kwijt. Wonen in het buitenland heeft niet alleen consequenties voor je aanvullende pensioen, maar ook voor je AOW. Voor ieder jaar dat je in het buitenland woont, raak je 2% van je toekomstige AOW-uitkering kwijt. Je kunt dit probleem omzeilen door tijdens je afwezigheid vrijwillig AOW-premie te betalen. Hiervoor kun je terecht bij de Sociale Verzekeringsbank. Als je in het verleden in het buitenland hebt gewoond, kun je je ook met terugwerkende kracht verzekeren voor de gemiste jaren AOW-opbouw. Handig voor allochtonen!

5. Bedrijfstakken zonder pensioenregeling zijn schaars, maar ze zijn er wel!. Zelfs in de IT, waar men niet veel van pensioenen en andere collectieve regelingen wilde weten, worden nu afspraken gemaakt. Maar naarmate je later met pensioenopbouw begint, wordt de kans op een goed pensioen kleiner.

6. De meeste pensioenregelingen zijn nu middenloonregelingen. Dat betekent dat de pensioenuitkering gebaseerd is op het gemiddelde loon dat werkgevers in hun hele werkzame leven verdienen. Er zijn ook pensioenregelingen die uitgaan van het laatste loon of op het gemiddelde loon van de laatste 5 jaar. Ongeveer een kwart van de werknemers valt onder zo’n middelloonregeling. Als je loopbaan zich geleidelijk ontwikkelt, hoeft dit niet nadelig te zijn. Maar als je laat in je leven flink carriŔre gaat maken, is dat vaak wel het geval. Een derde vorm is de beschikbaarheidspremie-regeling. Er wordt een premie apart gezet voor de opbouw van het pensioen, maar er worden geen toezeggingen gedaan. Je weet wel hoe hoog de premie is, maar niet hoeveel geld je later terugziet. Je uiteindelijke pensioeninkomen hangt namelijk af van de beleggingsresultaten. Het nadeel van deze regeling is dat risico’s ten aanzien van de hoogte van het pensioen eenzijdig bij de werknemer liggen. Bij de eindloon- en middelloonregeling is dat niet het geval, want daar is in de regeling vastgelegd dat de hoogte van je pensioen afhangt van je loon.

7. Prijzen stijgen. Lonen gaan omhoog. Als het goed is maken pensioenen de zelfde ontwikkeling door. Zonder indexatie wordt je pensioenuitkering elke maand een beetje minder waard. De indexatie van pensioenen kan op verschillende manieren geregeld zijn. Meestal wordt er ge´ndexeerd op basis van loonafspraken. Als de werknemers in een sector 4% meer loon krijgen, worden de pensioenen in die sector ook met 4% verhoogd. Dat zijn de welvaartsvaste pensioenen. Er worden ook veel pensioenen ge´ndexeerd op basis van de prijsindex. Dat zijn de waardevaste pensioenen. Een mix van loon- en prijsindex komt ook voor. Uit onderzoek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (2002) bleek dat 90% van de pensioenen wordt ge´ndexeerd. Om erachter te komen of dat ook voor jouw pensioen geldt, kun je de reglementen opvragen. Mocht je de pech hebben deel te nemen aan een fonds dat niet indexeert, dan kun je misschien via je vakbond iets bereiken. Pensioenfondsen worden namelijk bestuurd door werkgevers- en werknemersorganisaties. Overigens is indexatie nooit een keiharde toezegging. In de pensioenreglementen waarin indexatie is geregeld, staat doorgaans dat dit een streven is. Dat streven wordt heel serieus genomen, maar als een fonds slecht bij kas zit – bijvoorbeeld door tegenvallende beleggingsresultaten – kan indexatie erbij in schieten. Dit is momenteel (jan 2009) het geval. Als dit lang aanhoudt heeft dit serieuze gevolgen voor de hoogte van de pensioenuitkering.

8. De meeste pensioenregelingen hanteren een opbouwpercentage van 1,75 % per jaar. Daarmee haal je in veertig jaar de ideale pensioennorm van 70%. Als je pas na je 30e pensioenpremie bent gaan betalen, redt je dat niet. Er zijn ook regelingen die uitgaan van een opbouw van 2% per jaar. In dat geval kun je in 35 jaar een ideaal pensioen opbouwen. Dan ben je op je 30e dus nog net op tijd.

9. Freelancers en ondernemers moeten zelf iets regelen als ze een aanvullend pensioen willen. Daarom mogen ze jaarlijks belastingvrij een fiscale oudedagreserve (FOR) opzij zetten. De FOR bedraagt maximaal 12% van de winst en mag per jaar niet hoger zijn dan ongeveer € 10000. Op deze reserve blijft wel een belastingclaim rusten.

10. Als je van plan bent op je 55e of 60e te stoppen met werken, heb je minder jaren de tijd om een pensioen op te bouwen. Zoiets merk je de rest van je leven aan de hoogte van je pensioenuitkering (zie 8). Maar dit wordt fiscaal onaantrekkelijk gemaakt, dus is bijna onmogelijk.

11. Het klinkt raar, maar het simpele feit dat iemand van het vrouwelijk geslacht is, kan betekenen dat een ideaal pensioen er niet in zit. Niet alleen omdat vrouwen vaker in deeltijd werken dan mannen of hun carriŔre zelfs tijdelijk onderbreken om voor hun kinderen te zorgen, ook omdat veel pensioenfondsen er tot voor kort lustig op los discrimineerden. Sommige sloten alle vrouwen uit, anderen alleen gehuwde vrouwen. Indirecte discriminatie kwam nog vaker voor. Dan kon in een bedrijfstak bijvoorbeeld het administratieve personeel geen pensioen opbouwen, of het schoonmaakpersoneel niet. Dat waren vaak vrouwen. Pas sinds 1993 zijn pensioenfondsen verplicht vrouwen en mannen gelijk te behandelen. Dat betekent dat de effecten van de discriminatie nog tientallen jaren kunnen doorwerken. Als je denkt dat je met ongelijke behandeling te maken hebt gehad, kun je contact opnemen met het pensioenfonds. Sommige fondsen zijn bereid de schade met terugwerkende kracht te repareren. Vaak blijft dan het probleem bestaan dat er alsnog premie betaald moet worden en dat kan flink in de papieren lopen. Er zijn fondsen, bijvoorbeeld PGGM, die dit op een soepele manier verrekenen met het pensioen dat straks wordt uitgekeerd.

12. Tweeverdieners gat: Bij de opbouw van het aanvullende pensioen wordt altijd rekening gehouden met de AOW. Over het eerste deel van je inkomen bouw je geen pensioen op, omdat dat deel al ‘gedekt’ wordt door de AOW. Dit gedeelte wordt franchise genoemd. Nu is het helaas vaak nog zo dat pensioenfondsen de franchise baseren op 100% van de AOW, terwijl in de realiteit niemand 100% van de AOW ontvangt. Als je samenwoont krijgen jij en je partner elk 50% en als je alleen woont, krijg je 70%. Op deze manier krijgt dus alleen de ouderwetse alleenverdienende kostwinner een volledig pensioen. Tenminste, als we doen alsof de hele AOW aan de kostwinner toekomt (en niet 50% aan de partner) en als beide partners ongeveer even oud zijn (zie 13). Steeds meer pensioenregelingenhanteren daarom een franchise van 70% van de AOW. Voor alleenstaanden is dat een goede oplossing, want dit sluit aan bij hun situatie. Voor tweeverdieners is een franchise van 70% een stap in de goede richting, maar het lost niet hun hele probleem op. Ze blijven immers allebei met een AOW-tekort zitten. Er wordt immers 100% of 70% ingebouwd, en je krijgt ieder 50%. Bovendien is het ook zo dat bij een hoge franchise, minder pensioen wordt opgebouwd. Dus dubbel nadeel!

13. De 65-plussers van nu krijgen een aanvulling van ongeveer € 8000 per jaar op hun AOW-uitkering als ze samenwonen met een partner die zelf nog geen 65 is. Tenminste, als die partner een heel laag eigen inkomen heeft of helemaal niets verdient. In 2015 wordt deze partnertoeslag afgeschaft. Dat betekent dat de generatie die in 1950 of daarna geboren is niet meer in aanmerking komt voor een aanvulling op de AOW-uitkering. Zeker als het leeftijdsverschil tussen de partners groot is en het dus jaren duurt voordat de jongste partner een eigen AOW-uitkering krijgt, kan dit een boel geld schelen.

14. Als je gaat scheiden, wordt het pensioen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd later verdeeld tussen de partners. Dat kan, zeker als je lang getrouwd bent geweest, op termijn een flinke inkomenstenderving betekenen. Als twee partners allebei een pensioen hebben opgebouwd, laten ze bij echtscheiding vaak vastleggen dat ze afzien van deze pensioenverevening.